Column

ad bol.com

Bulk Alert

Johnny

 

De mussen vielen van het dak. Het was zo warm, dat het binnen lekkerder was dan buiten. Als je naar buiten ging, dan was het alsof je tegen een muur aanliep. Het was alsof in elke straat van Rotterdam een warmtegordijn hing. Nergens was een zuchtje wind te bekennen, en als ik meende een zweem van een briesje te voelen, dan was het als de adem van een hijgende hond. Op de stank na dan, op de stank na. Goddank. Ik liep alsof ik door water waadde. Met lange, langzame passen stak ik de straat over naar de parkeerplaats waar mijn auto in de brandende zon op mij wachtte.

Ik startte de motor en de blower die op de hoogste stand stond, blies hete lucht in mijn gezicht. Het leek wel een föhn. Toen ik mijn hand door mijn haar haalde, bleef het klef achterover zitten. Ik veegde hem af aan mijn klamme broek, maar echt droog werd hij niet. Ik stak een sigaret op, inhaleerde diep en blies de droge, kruidige damp langzaam uit. De rook bleef hangen, ondanks dat ik beide raampjes had opengedraaid. Mijn tong voelde aan als een ouwe zeem en toen ik de peuk half op had liet ik hem uit het zijraam op het zinderende asfalt vallen. Ik trapte de koppeling in en legde mijn linkerhand op het gloeiende stuur, terwijl ik de versnelling in zijn een ramde. Toen ik de koppeling liet opkomen en gas gaf, schoot ik in slow motion piepend vooruit. Het was alsof mijn banden zich hadden verenigd met het hete, half gesmolten teer en zich met tegenzin, voor het zingen de kerk uit, lieten losrukken.

Ik stoof vlak voor een stadsbus de openbare weg op. Een langgerekte klaaglijke toon scheurde door de drukkende stilte. Ik zwaaide uitbundig en zag de buschauffeur in mijn achteruitkijkspiegel heftig gebaren. Relax, kerel, dacht ik. Je sterft nog aan een hartverzakking. Je zit nota bene in een airconditioned bus. Het was een luxe, die mijn oude barrel mij niet kon bieden. Sterker nog, zonder zogenaamde groene golf op de Schieweg, zou ik de snelweg niet eens halen zonder oververhitte motor.

Het eerste stoplicht haalde ik net. Oranje is donkergroen. Even verderop zat ik echter achter een oud vrouwtje in een Seat Marbella. Ze hield zich keurig aan de snelheid, wat wil zeggen dat we niet boven de 45 kilometer per uur reden en ik voor de overige vijf verkeerslichten moest wachten. Ik besloot er niet op te gokken dat mijn karretje het zou volhouden zonder maatregelen en zette zuchtend de verwarming aan. Het hielp ternauwernood. De naald van de temperatuurmeter van de motor bleef in het begin van het rood hangen. Tegen de tijd dat ik de A20 opdraaide, had ik geen droge draad meer aan mijn lijf, waren mijn handen en voeten opgezwollen en voelde ik een lichte migraine opkomen.

God, wat verlangde ik naar de koele handen van mijn meisje. Ik glimlachte: haar handen en voeten waren dan misschien altijd koud, maar ze was een hete donder. Wedden dat ik me niet eens hoefde te douchen voordat we in een van de koele kamers van haar appartementje op Zuid met elkaar zouden vrijen? De gedachte alleen al wond me op en met een pijnlijk kloppende stijve die geen kant uit kon in mijn plakkerige, strakke spijkerbroek, gaf ik een peut gas en schoof vlak voor een dure Mercedes naar de linkerbaan. Hoorngeschal was wederom mijn deel en ik lachte hard, terwijl ik de volumeknop van mijn autoradio naar rechts draaide. Summer In The City van Loving Spoonful:

All around, people looking half dead

Walking on the sidewalk, hotter than a match head

 

 

Ik brulde de woorden met John Sebastian mee, terwijl ik weer naar de rechterbaan manoeuvreerde om plaats te maken voor de lange sliert auto’s die zich achter de mijne had verzameld. Als ik al om vrienden verlegen zat, zou ik ze hier niet maken. Ik besloot het laatste stuk binnendoor te rijden en voegde uit. In de achteruitkijkspiegel staarden twee holle, bloeddoorlopen ogen mij aan. Ik bewoog mijn tong langs mijn gehemelte om speeksel te kweken. Ooit had ik gelezen dat het palatum een meestal goed doorbloed orgaan is, maar vandaag wonnen mijn ogen. Ik probeerde te slikken, maar mijn tong schuurde pijnlijk in mijn mond en het lukte me niet. In de verte doemde een pompstation op en ik slingerde mijn auto de parkeerplaats op.

Nadat ik een halve liter Red Bull had gekocht, stapte ik op onvaste benen naar de achterkant van het lelijke gebouwtje, sprong met mijzelf verbazende souplesse over het tourniquet en sloot me op in een van de toilethokjes. Nadat ik het blikje in een teug halfleeg had gedronken, zocht ik in het kleine zakje dat maakt dat een spijkerbroek vijf zakken heeft naar mijn laatste beetje coke. Ik kreeg het poeder met moeite los van het papiertje waarin het zat opgevouwen en snorkelde het zonder verdere plichtplegingen of rituelen naar binnen.

Onderweg naar mijn auto, die met nog draaiende motor bijna stond te koken, dronk ik de rest van de energydrank. Voordat ik instapte sloeg ik mezelf wild op mijn borst en slaakte een oerkreet. Met gierende banden verliet ik de parkeerplaats en knalde met een dikke zeventig kilometer per uur over een drempel. ‘Chickie, hier komt Johnny!’, brulde ik. De rest van de rit beleefde ik als in een roes. Het felle zonlicht deed pijn aan mijn ogen, maar door ze tot spleetjes te knijpen, leek ik sneller mijn bestemming te bereiken, dus zo sloeg ik twee vliegen in een klap.

Ik parkeerde schuin op de hoek. Half op de stoep, maar dat leek me in een bocht wel zo praktisch. Daar kon moeilijk iemand over zeuren. Met twee treden tegelijk rende ik de trap van het portiek op. Eenmaal boven moest ik even op adem komen dus ik sloot mijn ogen en legde mijn voorhoofd tegen de koele bakstenen net onder haar huisnummer, 69. Ik had dat altijd vrij toepasselijk gevonden, aangezien ze er niet vies van was. Zonder mijn hoofd op te tillen drukte ik op de bel. Niet te lang, niet te kort, maar dwingend. Ze zou weten dat ik het was.

 

 

Toen ik voetstappen hoorde in de gang tilde ik mijn hoofd op, rechtte mijn rug en haalde mijn handen door mijn haar. Terwijl ik hoorde hoe het slot van de deur open klikte, toverde ik mijn meest charmante glimlach op mijn gezicht en verwachtingsvol keek ik naar de deur die echter niet verder dan kierstand opende. Het gezicht achter het kettinkje was niet van mijn lief, toch leek het mij te herkennen. Verbaasd staarde ik in een paar onbekende ogen. ‘Goddomme, hebben ze je bij Delta weer laten gaan? Sodemieter op gast! Ga weg of ik bel de politie.’ Bijna werd de deur in mijn gezicht dichtgeslagen, maar ik was sneller en ik wist met mijn voet de deur op een kier te houden. De pijn nam ik voor lief. Voor ik echter iets kon zeggen ging de deur van 67 open.

Een boom van een vent stapte naar buiten en nam mij in een soort van houdgreep. Ik kon niet anders dan met hem meelopen, de trap af en naar buiten. ‘Zo pik, ben je er weer? Zullen we er een roken?’, vroeg hij niet onvriendelijk, terwijl hij mij parkeerde op de hete motorkap van mijn auto. Hij diepte een pakje Lucky’s uit zijn borstzakje en haalde er twee sigaretten uit. Met zijn andere hand gebaarde hij naar de onbekende die half verscholen door een kier in de vitrage van het hoekappartement van mijn vriendin naar buiten spiedde. Dat het goed was.

Ik snakte naar adem en zag sterretjes. Voor ik goed en wel was hersteld, had hij de saffies aangestoken en zaten we te roken. ‘Gast, ik weet dat ze veel voor je betekende, maar ze is weg. Ze is vertrokken. Foetsie, pleite, ribbedebie… Je weet toch? Laat het gaan. Stop te komen.’ De reus nam een diepe haal en blies de rook bedachtzaam uit. ‘Als de weg ophoudt, verander. Kies een nieuwe route. Wees geen doodloper.’ Ik knikte. ‘Vincent?’ Hij keek me begripvol aan en knikte, maar schudde toen langzaam zijn hoofd. Met een armgebaar nodigde hij me naar het parkje aan de overkant van de straat.
Ik dacht dat ik hem voorging, maar aangekomen bij het bankje tegenover haar raam was ik alleen. Ik staarde naar de halfopgerookte sigaret in mijn hand en sloot even mijn ogen. Toen ik ze weer opende, had ik een houten reet, een droge muil en mijn benen sliepen. De rugleuning van het bankje leek met mij vergroeid. Het schemerde en het was heiig. Even verderop scharrelden twee konijnen. De ene beklom de andere en ze begonnen te neuken.

In het huis van mijn vriendin brandde licht en er klonk muziek. Voor mijn ogen voltrok zich een pantomime van geluk. Het was druk. Er werd gedanst en gelachen. Ik huiverde en voelde me koud tot op mijn botten. Mijn ogen vulden zich met tranen en stil, zonder geluid te maken huilde ik. Niet om de eenzaamheid en leegte van mijn bestaan, maar om het leven en de warmte. Ik huilde om de konijntjes en om de vreugde op het feest in het huis waar ik ooit gelukkig was. En ik bedacht dat ik mijn leven niet kon vergooien.

THEO STEPPER

Redacteuren en Fotografen

Muzine.nl is altijd op zoek naar goede redacteuren en fotografen.

Interesse? Stuur een mailtje naar ronald@muzine.nl

Social media

Volg Muzine.nl op Facebook of Twitter

Like us